Interview Virginie Bailly

“Met Ithaka is het allemaal begonnen”

Virginie Bailly is een echte Brusselse die zich thuisvoelt in de probleemwijk Kuregem. Ze stond in 2000 op Ithaka en is nu een geprezen kunstenares: “Met Ithaka is het allemaal begonnen.”

Interview: Charlotte-Lara De Cort & Jelle Mampaey

Je stond in 2000 op Ithaka. Hoe verliep dat?

Bron.

 

Virginie Bailly: “Dat was in het stationsgebouw. Daar waren verbouwingen en daardoor mocht men daar tentoonstellen. Dat was een gigantische groot gebouw, heel hoog. Ik herinner me dat veel werken daar goed functioneerden. Het was een leuke plek om tentoon te stellen. Ik had me voor mijn werk gebaseerd op de site, namelijk de werken aan het station. Op basis daarvan had ik fotografisch werk gemaakt. Ik werkte toen nog met fotografie, maar wel op een schilderkunstige manier. Daar ben ik nu niet meer mee bezig. Ithaka was wel heel belangrijk voor mij, ik was net afgestudeerd en ik heb toen een heel jaar mijn fotografische beeldtaal afgetast. Het was mijn allereerste galerijtentoonstelling en een van de twee plaatsen waar ik foto’s getoond heb.”

Waarom foto’s? Je had een opleiding schilderkunst genoten.

Bailly: “Ik had dat jaar, na mijn studies, geen atelier. Mijn ouders waren een atelier aan het bouwen. Bij gebrek aan tijd en ruimte heb ik het fotoapparaat genomen. Ik ben in het landschap op zoek gegaan naar beelden die ik over elkaar geplaatst heb, analoog uiteraard. Op de site van het station vond ik het interessant om de tijdelijkheid van de stellingen, de oranje plastieken netten te sublimeren. Al die ruwbouw heb ik vastgelegd. Door de overlapping van die beelden was er een vertroebeling van het beeld, waardoor het een romantische werkelijkheid kreeg. Toen was mijn werk vooral nog een vormelijk onderzoek, nu is het veel gelaagder van concept.”

Wat voor kunstwerken maak je?

Bailly: “Ik gebruik verschillende media, ook installaties en videokunst. Ik ben daarmee begonnen toen ik aangenomen werd op het Hoger Instituut voor Schone Kunsten in Antwerpen. Daar waren verschillende ateliers die toegankelijk waren voor iedereen. Je kreeg de kans om met allerhande materialen te werken. Toen had ik de smaak te pakken. Mijn eerste installatie was op de terril van Winterslag in 2003. Boven op een heuvel had ik een kijkdoos gezet van zes meter op negen meter met drie ramen. Die ramen gaven elk een specifiek zicht op het landschap. Dat zicht gebruikte ik als een frame, een kader voor de schilderkunst. Schilderkunst komt altijd terug, blijft de wortel van mijn werk. Ik ben eigenlijk voortdurend met schilderkunst bezig.”

Is er een verband tussen de verschillende media die je gebruikt?

Bailly: “In 2006 heb ik een installatie gebouwd in Bredene. Die kijkdoos heeft mij terug naar de schilderkunst gebracht. Voor het eerst speelt de ervaring die ik meemaak in de installatie een rol in de schilderkunst. De installatie was een zeventien meter lange doos, waar je langs de voorkant binnenloopt. Naargelang de grootte van de toeschouwer kan hij die kijkdoos tot op een bepaald punt betreden, de kijkdoos wordt immers steeds kleiner. Door de opening ziet de toeschouwer vervolgens een sculptuur die ik in het landschap geplaatst had. Die sculptuur bestond uit de vroegere schouw van het militair hospitaal. Ik heb het bovenste stuk van die schouw naar beneden gehaald en met de stenen een sculptuur gemaakt, een ruïne zoals je ziet in de negentiende-eeuwse tuinen. Daaruit ontstond het werkspot. Dat gaat over de lichtervaring die ik in de kijkdoos had. Als de zon draait, vertroebelt het beeld dat je ziet door de kijkdoos. Die gradaties van vertroebeling, verschijnen en verdwijnen, vond ik interessant. Dat heb ik op een conceptuele, abstracte manier geschilderd.”

Je reist veel. Hebben die reizen een invloed op je werk?

Bailly: “Vooral mijn reizen naar China hebben invloed gehad op mijn werk. Je krijgt te maken met een totaal andere cultuur. De eerste keer toen ik naar China ging, in 2006, werd ik vooral overweldigd door de grootte. Je hebt enorm veel mensen, alles gaat over massa en niet over het individuele. Bovendien stoot je voortdurend op een muur, omdat ze weinig openstaan voor discours. Zelfs als ik vroeg waarom ze in hun Chinese tuinen de ramen in verschillende vormen uitsnijden, keken ze naar beneden. Dat was niet eens een vraag over politiek, en zelfs daar kreeg ik geen antwoord op. Dat was heel frustrerend. Daardoor ga je vooral kijken en je inspireren op wat je ziet.”

“Ik heb daar een videowerk gemaakt: Lumières Impériales. Er waren drie videoschermen. Op het eerste videoscherm was de achterkant van een neonreclame te zien, ’s nachts in het donker. Op de voorkomt verscheen daar allerhande reclame op, maar op de achterkant was er een zuivere golfbeweging van kleuren die in elkaar overgingen. Ik filmde dat met mijn rug naar de zee. Ook de toeschouwer op de expositie hoorde de zee achter zijn rug. Dat was heel poëtisch. De neongolven gingen mee met het geluid van de zee. Dat heb ik dan gemonteerd tot iets heel poëtisch. In de twee andere video’s krijg je een huis te zien, opnieuw ’s nachts, waar je ook lichtflitsen in ziet. Daar zijn mensen nachtwerk aan het doen. Het gaat eigenlijk over het schrijnende China. Mensen die maar twee uur mogen slapen op 24 uur. Ze waren op twee punten van het gebouw aan het lassen. Die lichtjes heb ik gemonteerd op de muziek. Dat is iets heel feeërieks, maar als je dieper kijkt, voel je de ondertoon van het geheel. In de derde video zie je het huis waar die werkmannen elkaar aflosten om op een paar bedden twee uur te gaan rusten. Je zag in het donker de mensen binnen- en buitenkomen. Heel vreemd. Ik bracht de schoonheid samen met de ondertoon die ik als toeschouwer kon voelen. Het is een mooie installatie, maar het schrijnende China komt er overal door.”

“Bij mijn tweede reis had ik contact met een professor van de universiteit. Die begon eindelijk te praten, al was het nog moeilijk. Daar kreeg ik veel meer van te horen. Dat was interessant. Toen heb ik veel geleerd over de Chinese manier van werken, de schilderkunst, de traditie. Stilaan begon ik ook over hun dagelijkse leven vragen te stellen, dat werd moeilijker, en vooral politiek was erg moeilijk. Toen heb ik op een grappigere manier China weergegeven. Als het grappig is, vinden ze het leuk, maar ze hebben niet altijd door wat erachter zit. In een video zie je een luidspreker op het Tienanmen-plein. Die was vastgebonden aan een soort van pilaar. Die zei op een zeer agressieve manier voortdurend dezelfde zin. Dat leek heel militair. Ik heb het zodanig gefilmd dat de camera draait rond de paal, zodat je het hele plein dat rond de paal ligt, te zien krijgt. Achteraf bleek dat het om een heel banale zin ging, een reclamespot om de mensen aan te trekken om naar de Great Wall te gaan. Waarom die agressie, dat was mij niet duidelijk. Heel fascinerend.”

“Wat ze ook wel grappig vonden waren mijn foto’s van dweilen. Die vind je overal in China. Kuisen is dingen meenemen en ergens anders leggen, met die dweil. Vervolgens staat of hangt die ergens te drogen. Zo heb ik een hele reeks gemaakt,a mop for every day, met dweilen. Een andere reeks gaat over muren. In het kader van de wereldtentoonstelling in Shanghai, waren ze de stad aan het opkuisen. Overal in de straten stonden kleine muurtjes uit baksteen. Die muren werden geplaatst rond dingen die door de toerist niet gezien mochten worden. Dat had een averechts effect natuurlijk. Er is altijd ergens een opening, want de mensen die er wonen moeten buiten kunnen. Uiteraard gaat de toerist daar ook eens binnen. Je komt dan als het ware in een apenkooi terecht. Ik heb foto’s gemaakt van die bakstenen muurtjes. Die twee reeksen heb ik tentoongesteld in China. Dat vonden ze heel grappig, maar of ze echt de ondertoon doorhadden, weet ik niet. Mijn tweede blik op China was kritischer, maar ook speelser. Aan de ingang van de tentoonstelling had ik een muurtje gebouwd. Veel mensen zagen die muur en keerden op hun stappen terug, terwijl je er eigenlijk wel rond kon wandelen als je dichterbij kwam.”

Krijg je veel reacties van toeschouwers?

Bailly: “Ik vind dat heel belangrijk. Ik vind de reacties van toeschouwers even belangrijk als de reacties van kunstkenners. Een goed voorbeeld is mijn in-situ werk voor Halle. Blown is een permanent werk op het Bevrijdingsplein, een groot rondpunt. Samen met de ingenieur Rolf Vansteenwegen en de architect Roland Piffet, hebben we daar een sculptuur opgezet van 35 meter hoog, een heel dunne priem in polyester, met een diameter van veertig centimeter. Als het enorm onweert kan die vier meter buigen, zonder om te vallen. ’s Nachts lichten de drie laatste meters van de priem op, zodat je een zwevend streepje hebt. Dan zie je het best dat hij beweegt. Overdag zie je dat niet met het blote oog.”

“We hebben er veel kritiek op gehad. Veel mensen zien dat niet als kunst. Ik gruwel vaak van rotondekunst, vaak is dat een beeld dat geen link heeft met de context. Dat vind ik verschrikkelijk. Dat was ons statement ook. Het gaat verder dan de priem, de bestaande lantaarnpalen in de vijf omliggende straten hebben we een kleur gegeven. Het kunstwerk gaat over een uiteenspatting van de kleur wit. In de kleur wit zitten alle andere kleuren verborgen. Ik heb daar enorm veel reactie op gekregen, nu nog. Ik krijg nog steeds mails, terwijl het werk er al van 2006 staat. Ik heb twee lezingen gegeven om uit te leggen waarom dat kunst is. Er is ingespeeld op de ruimtelijkheid, de bestaande situatie. We hebben het bestaande grijze landschap geritmeerd door kleur en vorm. Veel mensen hebben de neiging om er iets aan toe te voegen.”

“Een paar jaar geleden, bij de verkiezingen in Halle, had een politieke partij een wedstrijd uitgeschreven om het werk beter te maken. Dat vind ik fantastisch. Zo begin je een discours over kunst, en over kunst in de openbare ruimte. Dat is een moeilijk thema. Ofwel werd het deze priem, ofwel zou daar de toren van het achttiende-eeuwse station van Halle op een sokkel geplaatst worden. Veel mensen vinden die toren een stukje patrimonium dat anders de vuilbak ingaat. Dat vinden zij mooier. Dat debat vind ik interessant en belangrijk.”

“Op een bepaald moment belde mijn neef mij op om te zeggen dat mijn werk er stond. Hij klonk nogal geschokt. Ik probeerde hem uit te leggen dat mijn werk nog in het atelier lag, maar hij hield vol dat het er stond. Ik ben toen gaan kijken. Er stond een enorme fallus, vier meter hoog (schatert het uit). Knalrood geschilderd, in papier-maché. Ge-wel-dig! Ik vond dat echt geweldig! De carnavalsgroep van Halle vond dat het tijd werd dat het werk er kwam. En toen dachten ze: “We zullen het er gewoon zetten.” Het was een ander soort van priem, maar goed. Dat is interessant, dat vind ik grandioos. Je hebt recensies, mensen die veel weten over kunst, dat is zeker interessant en dat helpt je verder. Maar wat ik hoor tijdens tentoonstellingen vind ik minstens even interessant.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s